Hieronder staan 3 determinatietabellen om de meest voorkomende weersverschijnselen op naam te kunnen brengen. U gebruikt de sleutels als volgt:
Begin bij A01 en bepaal wat u ziet. Geheel rechts staat een getal. Dit getal staat voor de volgende stap in de sleutel. Als u hier op klikt dan komt de door u gekozen optie bovenaan op het scherm te staan. U heeft nu weer de keuze tussen twee of meer opties. Of de oplossing, die in cursief wordt weergegeven. In de rechter kolom staan voorbeelden van het wolkentype. De optie definities voert u naar onze wolkencode pagina waar u de officiële beschrijving vindt van de wolken.
Stel u wilt weten uit welk type wolk een voor uw onbekend type wit korrelige neerslag valt. U begint bij A01 en u ziet daar een verwijzing staan naar A13 voor wolken met neerslag. Uw wolk voldoet aan de beschrijving en afbeelding voor bijvoorbeeld de buienwolk. Klik hier op 'neerslag' om het soort neerslag te bepalen. Nu komt u in tabel C en kunt u de determinatie voortzetten. De lijn volgend blijkt dat u uitkomt bij C07. (Probeer als oefening). Daar staan dan drie opties waarmee u uw neerslag kunt vergelijken.
De determinatietabel wolken is voor het eerst gepubliceerd in 1970 door Drs. B. Zwart en hier opnieuw met zijn toestemming en in een iets aangepaste vorm gepubliceerd. De overige aansluitende tabellen B en C zijn ontworpen door Meteo Maarssen.
De wolken lijken op zijdedraden, veren of uitgeplozen watten. Er kunnen optische verschijnselen in optreden.
VEDER OF VEZELWOLK (CIRRUS) Er zijn verschillende vormen van cirruswolken, zoals: vezelige of dradige wolk, windveren (cirrus fibratus) - rechts, kommawolken (cirrus uncinus) kuifwolk of schuimvlok (cirrus spissatus) Definitie
c-unicus
c-spissatus
c-spissatus cumulonimbogenitus
De wolken lijken op uiterst fijne plukjes wol of watten. De afzonderlijke elementen zijn niet groter dan één booggraad en zijn gerangschikt in banken. Ze zijn zilverwit, de zon schijnt er bijna zonder verzwakking doorheen. Op enige afstand van de zon of de maan ontstaat in de wolkenelementen een parelmoerachtige glans, roodachtig of groenachtig. (B03)
KLEINSTE SCHAAPJES WOLK (CIRROCUMULUS)
Cirrocumuluswolken zijn zeldzaam. Verwarring met altocumuluswolken (A11) kan gemakkelijk voorkomen Definitie
A05
De wolkenelementen zijn klein, niet meer dan enkele booggraden in doorsnede.
De wolken bestaan uit grote, afzonderlijke elementen, die ten minste een boog van tien graden omvatten. Hun toppen zijn bolvormig en dikwijls fel wit. Grote exemplaren lijken op gigantische bloemkolen. De basis van de wolken is donker, vlak en voor elke aanwezige wolk even hoog.
Zijn er veel betrekkelijk kleine, vijf tot tien booggraden grote en niet bijzonder sterk verticaal ontwikkelde stapelwolken, dan heeft men meestal te maken met de mooi-weerwolk.
Zeer sterk verticaal ontwikkelde stapelwolken, die zo groot zijn, dat er zich slechts enkele
in de zichtbare hemelruimte bevinden, behoren tot de soort opbollende stapelwolk (ten
minste zolang er nog geen regen uit valt).
De wolken hebben kleine kopjes, die dikwijls omhoog steken uit langgerekte banken, waardoor die eruit zien als de kantelen van een kasteelmuur.
KANTEELWOLKEN OF SCHAAPJESWOLKEN MET TORENTJES (ALTOCUMULUS CASTELLANUS) Bij de kanteelwolk beginnen de opwaartse luchtstromingen niet nabij het aardoppervlak, maar op 2 of 3 km hoogte. Zij zijn dus niet het gevolg van plaatselijke verwarming, maar eerder van afkoeling van de luchtlaag direct boven de laag waarin de kanteelwolken ontstaan. Definitie
De wolken hebben de vorm van amandelen, vissen of dubbelbolle lenzen. Sommige zijn donker met lichte randen, die nabij de zon een parelmoerachtige glans vertonen. Andere zijn geheel wit en opgebouwd uit een verzameling schaapjeswolken. Deze wolken zijn in het stadium van oplossing. Soms zijn er allerlei stadia tussen de donkere, structuurloze en de lichte, oplossende vormen aanwezig.
AMANDEL- OF LENSWOLK (ALTOCUMULUS LENTICULARIS) Definitie
Het wolkendek is wit en uiterst dun. Het lijkt op een fijne witte sluier. De zon schijnt er vrijwel ongehinderd doorheen en geeft duidelijke schaduwen. Vaak zijn in dit type wolken optische verschijnselen te zien.
Het wolkendek is blauwgrijs. De plaats waar de zon zich bevindt, is te herkennen aan een vage lichtvlek. De zon werpt echter geen schaduwen meer. Soms zijn er met enige moeite strepen of banen in het wolkendek te herkennen.
Het wolkendek is somber egaal grijs en hangt zeer laag. Hoge torens verdwijnen soms met hun toppen in de wolkenlaag. Wolken zijn scherp begrenst.
EGAAL GRIJZE LUCHT (STRATUS)
De stratuswolk vertoont zich vaak in combinatie met mist. Mist is niets anders dan een stratuswolkendek dat zich direct aan het aardoppervlak bevindt. Definitie
A11
De wolkenelementen zijn niet groter dan een tot vijf booggraden. De lichtgrijze of witte proppen zijn dikwijls gescheiden door strookjes blauwe hemel. Het uiterlijk van de hemel lijkt op schapenwol.
De wolkenelementen zijn vrij groot en hebben een doorsnede van meer dan vijf booggraden. Ze zijn dikker dan schaapjeswolken en daardoor donkerder van tint. De randen zijn licht. Meestal vormen deze grote wolkenproppen een gesloten wolkendek met donkere en lichte plekken. De hemel heeft een 'bonkig' uiterlijk.
De afzonderlijke wolken-golven hebben een doorsnede van niet meer dan vijf booggraden. Soms zijn ze gescheiden door lichtere banen, soms door smalle stroken blauw. De hemel heeft het uiterlijk van een gigantisch wasbord of van een ribbelstrand.
De afzonderlijke wolken-golven hebben een doorsnede van meer dan vijf booggraden. De hemel is meestal geheel bedekt met afwisselend donkere en lichte stroken. De begrenzing van de golven is niet scherp, zij vloeien als het ware in elkaar over.
Er valt hele lichte neerslag, meest als motregen of motsneeuw. Het wolkendek is somber egaal grijs en hangt zeer laag. Hoge torens verdwijnen soms met hun toppen in de wolkenlaag. Wolkenbasis is scherp begrenst en ziet er droog uit.
EGAAL GRIJZE LUCHT (STRATUS)
De stratuswolk vertoont zich vaak in combinatie met mist. Mist is niets anders dan een stratuswolkendek dat zich direct aan het aardoppervlak bevindt. Definitie
De neerslag valt zonder onderbreking uren achtereen uit een donkergrijze lucht, waaronder dikwijls donkere, rafelige wolkenflarden drijven. Wolkenbasis ziet er waterig uit.
De neerslag valt in perioden, die plotseling beginnen en ook weer abrupt eindigen. De neerslagintensiteit wisselt sterk. Men spreekt van buiige neerslag. Dikwijls komt er ook onweer voor. De wolken zijn soms gescheiden door grote stukken blauw, maar zij bedekken ook wel de gehele hemel. Ze zien er meestal donker en dreigend uit, maar hebben witte koppen. Uit deze koppen komt een kuifwolk of schuimvlok te voorschijn die vaak de vorm heeft van een aambeeld. In de door de zon beschenen regen kunnen ook optische verschijnselen (B09) ontstaan.
Onderstaand een selectie van de voornaamste door iedereen waarneembare optische verschijnselen uit de vrije natuur. Er zijn nog veel meer fraaie verschijnselen waar te nemen. Maar met deze selectie moet u al een eind kunnen komen om uw lichtverschijnsel op naam te kunnen brengen.
Wees erop bedacht dat ook de vormen van de halo's uiterst variabel kunnen zijn. Alleen de meest gangbare zijn hier opgenomen. Foto's van de haloverschijnselen zijn geplaatst met toestemming van Meteoros.
Computer simulatie van haloverschijnselen.
Belangrijkste optische haloverschijnselen, zie tabel voor verklaringen of klik op de letter voor een directe link naar een verschijnsel. X = waarnemer.
B01
Optisch verschijnsel te zien in, op of nabij wolken.
Oplichtende heldere vlek links en rechts van de zon of de maan, evenwijdig aan de horizon. Van de zon af rood, gevolgd door geel en een uitlopende blauwwitte veeg.
BIJZON (c)
Bijzonnen komen het meest voor aan de 'kleine kring' (boven) en zeldzamer aan de 'grote kring' (c') (onder),
Band evenwijdig aan de horizon en egaal wit gekleurd.
HORIZONTALE CIRKEL OF PARHELISCHE RING (e) Zeldzaam verschijnsel en wordt zelden volledig waargenomen. Komt het verschijnsel bij de maan voor, dan spreken we over een parselenische ring.
Ronde, vaak gesloten kring met als middelpunt de zon of maan. Binnenrand vrij scherp begrenst en rood, daarna, geel, onduidelijk groen en naar wit verlopend vaag blauw.
Niet volledige, van zon of maan afgekeerde lichtbogen. Vaak aan de boven of onderzijde grenzende aan ronde volledige kringen. Kringen kunnen soms ook ontbreken of niet volledig ontwikkeld zijn.
KLEINE KRING (a) Als er onvoldoende hoge ijswolken zijn, dan is de cirkel niet volledig.
Gesloten kring op een afstand van 46°.
GROTE KRING (b) Als er onvoldoende hoge ijswolken zijn, dan is de cirkel niet volledig.
B08
Boog als een kom aan de bovenzijde van de zon, aan de grote kring (b) en lijkt op een omgekeerde regenboog (B09). Staat vaak recht boven de waarnemer.
CIRCUMZENITHALE BOOG (f) Kan zeer helder zijn en wordt dan vaak aangezien als regenboog hoog aan de hemel.
Boog als een kapje aan de bovenzijde van de zon, aan de kleine kring (a).
BOOG VAN PARRY (d)
B09
Gekleurde boog, meestal aan onderzijde van buienwolk.
REGENBOOG Soms vinden we nog een tweede regenboog met tegengestelde kleuren
Lichtkrans rond de schaduw van uw hoofd of lichaam op de grond of in de mist.
HEILIGENSCHIJN, MISBOGEN EN GLORIE
Deze verschijnselen kunnen optreden rond de waarnemer als deze met rug in de zon staat. Er ontstaat dan een stralenkrans rond het hoofd of lichaam op dauw, tegen de mist of, wanneer waargenomen vanaf bergtop, op de lager gelegen wolkentoppen (als op foto).
Vergrote schaduwprojectie van uzelf op mist door lichtbron achter u (bv. koplampen van auto's).
BROCKENSPOOK
B10
Lichtglans als een hyperbool in regenboogkleuren op de bedauwde grond.
DAUWBOOG OF HORIZONTALE REGENBOOG Zie ook B09 (Heiligenschijn, mistbogen en glorie)
Witte lichtkringen in de sneeuw.
Lichtbundels, teruggekaatst door sloten of kanalen.
REFLECTIES Reflecterend zonlicht op water resulteert in een groot aantal lichtbundels. Dit is goed te zien onder bruggen waar zij weerkaatst worden op de onderzijde van bruggenhoofden. Maar onder sommige omstandigheden, bij een laagstaande zon en iets nevelig tot heiig weer kunnen we in het verdwijnpunt aan de horizon van de sloot ook reflecties waarnemen welke in de heiige achtergrond oplichten. Het water mag niet rimpelen. Klik op de afbeelding voor een groter formaat (65 Kb).
Optische verschijnselen bij kunstlicht.
Hoewel deze eigenlijk niet tot 'natuurlijke' optische verschijnselen behoren, maken we toch er toch even melding van. In het schijnsel van lantaarnlicht kunnen ijskristallen ook haloverschijnselen vormen. Bekend zijn de kring van 21,5° en 46°.
Zuilen ontstaan vaak op de natte straten of licht golvende wateroppervlakten bij reflectie van lantaarnpalen of koplampen van auto's (zie afbeelding).
B11
Groene rand bij ondergaande zon.
GROENE FLITS Dit verschijnsel duurt slechts een paar seconden en kan variëren van een groenachtige rand aan de zon, tot een groen segment of een klein groen zuiltje. Wordt vooral waargenomen bij zeer heldere luchten en meest boven zee.
Voorwerpen lijken te zweven of staan op de kop boven een zilverkleurig spiegelende horizon.
Schemeringsverschijnselen aan de westelijke horizon, bij zonsondergang aan heldere hemel. (Oostelijke horizon bij zonsopkomst).
OPKOMST/ONDERGANG VAN ZON
Schemeringsverschijnselen aan de oostelijke horizon, bij zonsondergang aan heldere hemel. (Westelijke horizon bij zonsopkomst).
OPKOMST/ONDERGANG VAN AARDSCHADUW
Schemeringsverschijnselen aan de oostelijke en westelijke horizon. Van ongeveer een uur voor en na zonsonder-gang. De intensiteit van de kleuren wordt onder meer bepaald door transparantie van de atmosfeer en wordt beïnvloed door bijvoorbeeld de hoeveelheid waterdamp, of luchtvervuiling, zoals stof, roet, of vulkanische as.
Zodra de zon is gegaan rijst aan het oostelijke horizon de aardschaduw op. Dit is ongeveer 35 tot 40 minuten te volgen totdat het versmelt met de achtergrond.
Aan de westelijke kim ontstaat kort na zonsondergang een grote zalmrode vlek. Het wordt hemelpurper genoemd en is het belangrijkste schemeringsverschijnsel. Na ongeveer 20 tot 30 minuten na zonsondergang is deze het sterkst ontwikkeld. Daarna zakt het geleidelijk in.
Bij zonsopkomst treden dezelfde verschijnselen op. Alleen zien de de verschillende effecten dan in omgekeerde volgorde en windrichting.
NEERSLAGWIJZER (TABEL C)
Neerslagverschijnselen worden ook wel hydrometeoren genoemd. Niet alleen regen, sneeuw en hagel zijn vormen van neerslag, ook mist, dauw en rijp worden tot de hudrometeoren gerkend.
Neerslag bestaat uit kleine druppels (kleiner dan 0,5 mm doorsnede) welke soms lijken te zweven in de lucht.
MOTREGEN
Neerslag bestaat uit duidelijke druppels (groter dan 0,5 mm doorsnede) en vallen vrij snel.
REGEN
Neerslag vormt een doorzichtige ijslaag op de bevroren grond en takken van bomen e.d. Valt hoofdzakelijk uit nimbostratus.
IJZEL IJzel kan gewoonlijk alleen aan het einde van een vorstperiode voorkomen, als zachte lucht een dooiaanval inzet.
C04
Neerslag is bevroren en helder, glad en hard, niet broos en tot 4 mm groot. Ze springen terug als ze op harde ondergrond vallen.
IJSREGEN IJsregen kan gewoonlijk alleen aan het einde van een vorstperiode voorkomen, als zachte lucht een dooiaanval inzet.
Neerslag is bevroren en meest mat tot helder als ijsknikkers of brokken van 5 mm tot 5 cm en soms nog groter, grote brokken vaak onregelmatig en veelhoekig. Ze springen terug als ze op harde ondergrond vallen en kunnen zeer hoge valsnelheden bereiken en daardoor schade veroorzaken.
HAGEL Hagel valt doorgaans alleen uit zware buien en nooit bij temperaturen beneden het vriespunt.
Neerslag bestaat uit enkelvoudige zeshoekige plaatjes of naalden en vallen zo lang-zaam dat ze in de lucht lijken te zweven.
IJSNAALDEN IJsnaalden komen vooral voor bij strenge vorst en schitteren in zon-, maan- of lantaarnlicht. Wordt ook wel poolsneeuw genoemd.
C06
Neerslag bestaat uit een mengelmoes van witte vlokken en regen. De valsnelheid van deze gemengde neerslag is hoog.
REGEN EN SNEEUW GEMENGD Vaak bestaat deze combinatie uit sneeuw die al 'nat' aanvoelt en regen. De sneeuw is grotendeels gesmolten. Daartussen zit ook regen. Deze neerslag valt over algemeen bij temperaturen ruim boven het vriespunt, doch meest onder de 5°C. Wordt in de volksmond ook wel natte sneeuw genoemd.
Neerslag bestaat uit duidelijk uit alleen witte luchtige vlokken en dwarrelt naar het aardoppervlak.
SNEEUW Sneeuw kan zowel vallen bij temperaturen welke boven als onder het vriespunt liggen, maar wel altijd in de buurt van het vriespunt. Als de grond warmer is dan het vriespunt, zal de sneeuw smelten. In de volksmond wordt dit ook wel natte sneeuw genoemd. (onder)
C07
Witte ondoorzichtige kleine bolletjes tot 1 mm groot, soms ook afgeplat of langwerpig. Springen niet op bij hun val. Valt hoofdzakelijk uit stratuswolken.
MOTSNEEUW
Witte ondoorzichtige bolvormige, soms ook kegelvormige, op sneeuw lijkende korrels van 2 tot 5 mm. Ze zijn broos en relatief eenvoudig samendrukbaar. Springen op of breken bij hun val op harde grond. Valt hoofdzakelijk uit buienwolken.
KORRELSNEEUW
Korrelsneeuw valt doorgaans boven land bij temperaturen rond het vriespunt, gaat soms aan sneeuw vooraf
Troebelwitte 2 tot 5 mm grote ronde tot kegelvormige glazige korrels. Breken niet tijdens hun val op de grond en zijn niet samendrukbaar. Valt hoofdzakelijk uit buienwolken.
KORRELHAGEL
Korrelhagel komt voor bij temperaturen boven het vriespunt.
C08
Op grazige plekken zijn planten in de vroege ochtend overdekt met druppels, of zijn auto's vochtig of nat.
DAUW
Velden en andere voorwerpen zijn wit uitgeslagen en voorzien van hoofdzakelijk opstaande ijsnaalden.
Kleine ijskristallen welke zich vastgezet hebben op vaste voorwerpen.
RIJP
Dikke laag witte ijskristallen, vaak door onderkoelde mist of nevel afgezet.
RUIGE RIJP Ruige rijp groeit tegen de windrichting in.
Dikke laag ondoorzichtige ijsmassa, zonder duidelijke kristalvorm, vaak door onder-koelde mist, nevel afgezet. Compacter als ruige rijp.
RUIGE VORST
C10
Er is op grote afstand zichtbeperking.
HEIIGHEID Zichtbeperking door waterdamp wordt ook wel tot neerslag of hydrometeoren gerekend.Zichtbeperking door heiigheid kan ook door rook ten gevolge van brand of zandstorm e.d. ontstaan. In dat geval is het geen hydrometeoor
Zicht is tussen 1 en 2 km en heeft een grijsachtig uiterlijk. Zichtbeperking meest door zeer fijne microscopische kleine waterdruppels.
NEVEL
Zicht is minder dan 1 km en heeft een grijsachtig uiterlijk. Zichtbeperking meest door fijne waterdruppels. Bomen en andere planten kunnen druppels laten vallen door mistneerslag op takken.
MIST Onder mist verstaan we ook wel stratuswolken welke tot aan het aardoppervlak reiken en daar het zicht beperken.