In de polaire/arctische luchtmassa van situatie 11 en 12 kunnen ook troggen ontstaan, een uitstulping of een wat meer langgerekt gebied van lage druk. Deze drijven met de overheersende luchtstroming mee kenmerken zich door een eveneens langgerekt cluster van buien. Voor de trog uit is het vaak helder, maar tijdens de passage van de trog leeft de buienactiviteit sterk op. De buienlijn verraadt zich als een massief wolkencomplex en ziet er duidelijk anders uit als de losse buien, afgewisseld met felle opklaringen uit situatie 11 of 12. Er kan een meer langdurige periode met neerslag optreden. Deze verslechtering houdt hooguit enkele uren aan. Als de trog gepasseerd is, treedt er weer een lichte verbetering op; met dien verstande dat het vorige overheersende buientype uit situatie 11 weer doorgaat. Het blijft dan aanhoudend koel of koud. Windstoten en onweer zijn niet ongewoon en in het winterhalfjaar kan de neerslag ook vergezeld van hagel en sneeuw. De neerslag intensiteiten wisselen sterk. Tijdens deze buien is het dan ook gevoelig kouder.
Bij minder sterk ontwikkelde depressies blijft het vaak beperkt tot dreigende cumulus congestus (voorbeeld bij situatie 12), maar blijft het verder droog.
De komst van neerslag bij een flinke bui is eenvoudig af te leiden uit de bewolking. De scherpe overgang van de donkere buien-kraag met het grauwgrijze neerslag gebied is de grens waar de neerslag begint.
Vooraf kunnen enkele druppels vallen, maar de echte neerslag begint wat later. Door de snelheid van de bui en de trekrich-ting in te schatten, kan worden afgeleid hoelang het zal duren voordat de regen arriveert.